1. Aan een veer wordt getrokken met een kracht van 50 N. De veer rekt 5 cm uit. Wat is de veerconstante van deze veer?
2. Een veer met een veerconstante van 2 N/cm rekt 12 cm uit. Welke kracht wordt er op deze veer uitgeoefend?
3. Aan een veer met een veerconstante van 4 N/cm wordt een massa van 800 g gehangen. Hoe ver rekt deze veer uit?
4. Onder een fietszadel zitten vier veren. Willem van 90 kg gaat op het zadel zitten. De veren worden 6 mm ingedrukt.
a. Hoe groot is de kracht op iedere veer?
b. Hoeveel kracht moet je op één veer uitoefenen om hem 1 cm in te duwen?
c. Hoeveel worden de veren ingeduwd als Inge van 45 kg op het zadel gaat zitten?
2. Een veer met een veerconstante van 2 N/cm rekt 12 cm uit. Welke kracht wordt er op deze veer uitgeoefend?
3. Aan een veer met een veerconstante van 4 N/cm wordt een massa van 800 g gehangen. Hoe ver rekt deze veer uit?
4. Onder een fietszadel zitten vier veren. Willem van 90 kg gaat op het zadel zitten. De veren worden 6 mm ingedrukt.
a. Hoe groot is de kracht op iedere veer?
b. Hoeveel kracht moet je op één veer uitoefenen om hem 1 cm in te duwen?
c. Hoeveel worden de veren ingeduwd als Inge van 45 kg op het zadel gaat zitten?